maandag 16 juni 2014

Over schapen en een herder

1Petrus 2:25
‘Want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen.’

Het is niet toevallig dat mensen in de Bijbel worden vergeleken met schapen. God geeft op die manier weer, dat we geschapen zijn voor een herder. Een schaap zonder herder gaat zwerven, dwaalt wat rond en kan zich nauwelijks beschermen. Een schaap zonder kudde is nog kwetsbaarder. Een wolf noemt zo’n alleen dwalend schaap lunch. De profeet Jesaja schrijft dat wij allen dwaalden als schapen, ieder op zijn eigen weg. Schapen zijn alleen kuddedieren als ze door de herder bij elkaar worden gehouden, van nature zijn het individualisten uit onnozelheid. Ze dwalen ongemerkt af, omdat ze zo met zichzelf bezig zijn. Petrus schrijft dat we ons hebben bekeerd tot de herder en hoeder van onze zielen, dat is Jezus. Hij zoekt schapen en brengt ze bij zijn kudde. Hij beschermt ze en brengt ze door duistere dalen naar grazige weiden. Bij de herder ben je veilig en door de herder ben je veilig. Heb je ooit een schaap gezien dat probeerde de herder te zijn, of als de herder te worden? Als schapen de herder missen, gaan ze blaten. Dat hoor je voortdurend om je heen, geklaag en gevraag. Het is voor de herder een teken om een zoekactie te starten.