dinsdag 19 augustus 2014

Trouw tot in de dood

2Samuël 22:2-3a
‘Hij zei: ‘HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen,'

Een danklied van David nadat God hem had verlost van zijn vijanden, ook van Saul. David was op God gericht, ook als hij in gevaar was. Hij vertrouwde op Gods uitreddingen en zag die ook. Hij vocht tegen leeuwen en beren, hij vocht tegen de reus Goliath en won. Hij vocht niet tegen Saul, omdat God hem tot koning had gezalfd. En hoewel Saul David wel bestreed, vluchtte David liever dan te strijden tegen Gods gezalfde. Hij liet het oordeel over Saul aan God die hem had aangesteld. Deze woorden van David zijn dezelfde als in Psalm 18. David zag Gods grootheid en Gods woede over het onrecht. De hemel werd bewogen en de aarde beefde, omdat God ingreep. Tot in het dodenrijk greep God in, Hij is een redder en bevrijder. Dwars door de woorden van David herkennen we Jezus die worstelde aan het kruis onder de druk van Zijn vijanden. Maar de hemel bewoog en God redde Hem en ons uit de dood. De woorden van David zijn profetische woorden. Ze bemoedigen ook ons, omdat ze Gods genade tonen. In de grootste nood kun je vertrouwen op Hem.