zondag 13 november 2016

God en mens

Hebreeën 2:17
‘Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen.’

Wanneer je iemand vertegenwoordigt, moet je wel mandaat hebben. De vraag die al eeuwenlang wordt gesteld is of Jezus nu volkomen mens is, of volkomen God. Is Hij volkomen mens, dan kan Hij zich niet gelijkstellen aan God – Ik en de Vader zijn een -, maar is Hij volkomen God, dan kan Hij niet in alle opzichten gelijk zijn aan Zijn broeders en hen vertegenwoordigen. De tekst van vandaag zegt, dat Hij aan Zijn broeders – het volk Israël – volkomen gelijk moest worden, dat was Hij dus niet zomaar. Paulus schrijft aan de Filippenzen, dat Jezus, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. Dat lijkt me een mooie verklaring en een zuiver antwoord. Daar kan ons verstand mee leven. Maar waar het echt om gaat, is niet hoe het allemaal kon, maar dat het is gedaan. Jezus is onze trouwe hogepriester en dat blijft Hij. Hij heeft ons verzoend met God en de verzoening aan ons geschonken. We zijn nu volkomen een met Hem, volkomen mens en volkomen van Gods geslacht.